Kennisbank
Overplaatsing
Lees wie beslist over overplaatsing, welke voorwaarden gelden en hoe u een verzoek, klacht, bezwaar of beroep kunt indienen.
Een overplaatsing kan gevolgen hebben voor uw dagprogramma, behandeling en contact met familie. U kunt zelf om overplaatsing vragen, maar ook de inrichting kan het initiatief nemen. Wie beslist en hoe u daartegen kunt opkomen, hangt af van uw situatie en de soort overplaatsing.
Gevangeniswezen
Wie beslist?
Volgens artikel 15 Penitentiaire beginselenwet (Pbw) beslist de minister over plaatsing en overplaatsing. In de praktijk doet een selectiefunctionaris van de Directie Individuele Zaken (DIZ) van DJI dit namens de minister. Aanwijzingen van de rechter en het Openbaar Ministerie worden daarbij betrokken.
De directeur bepaalt binnen de inrichting welke verblijfsruimte u krijgt (artikel 16 Pbw). Een interne verhuizing naar een cel of afdeling met dezelfde bestemming valt onder zijn bevoegdheid. Een overgang van huis van bewaring naar gevangenis moet echter door de selectiefunctionaris worden beslist, ook binnen hetzelfde gebouw.
Een interne overplaatsing moet zorgvuldig gebeuren en de reden moet duidelijk zijn. Bij overplaatsing naar een andere locatie binnen dezelfde PI moet de directeur u vooraf horen en schriftelijk informeren over de beslissing (artikelen 57 lid 1 onder l en 58 lid 1 Pbw).
Zelf overplaatsing aanvragen
Artikel 18 Pbw geeft u het recht een overplaatsingsverzoek in te dienen. Dat kan rechtstreeks bij de selectiefunctionaris of via de directeur. De directeur moet uw verzoek behandelen en doorsturen, ook wanneer hij het niet ondersteunt.
De casemanager stelt namens de directeur een selectieadvies op. Daarin staan uw verzoek, de onderbouwing en het standpunt van de directeur. De selectiefunctionaris moet binnen zes weken beslissen. Na afwijzing kunt u na zes maanden opnieuw een dergelijk verzoek indienen.
Toestemming betekent niet dat u meteen verhuist. U komt op een plaatsingslijst; de beschikbare capaciteit bepaalt wanneer de overplaatsing wordt uitgevoerd.
Welke plaats past bij uw situatie?
De Pbw en de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (Rspog) onderscheiden bestemming, beveiliging en regime:
- Bestemming: een huis van bewaring is onder meer voor voorlopige hechtenis. Een gevangenis is voor veroordeelden, ook als hun veroordeling nog niet definitief is. Plaatsing op een ISD-afdeling vereist een definitieve veroordeling tot de ISD-maatregel.
- Beveiliging: er zijn beperkt, normaal, uitgebreid en extra beveiligde plaatsen. Normaal beveiligd is het uitgangspunt. Een Beperkt Beveiligde Afdeling (BBA) biedt in de laatste detentiefase mogelijkheden voor werk of opleiding buiten de muren.
- Regime: in een gemeenschapsregime doet u zoveel mogelijk samen activiteiten. Een meerpersoonscel is gebruikelijk, tenzij daarvoor bezwaren bestaan, bijvoorbeeld vanwege gezondheid of gedrag. In een individueel regime bepaalt de directeur welke activiteiten alleen of gezamenlijk plaatsvinden. U heeft daar een eenpersoonscel.
Bij de eerste plaatsing wordt ook het vlucht- en maatschappelijk risico vastgesteld. Naast normaal bestaan verhoogde, hoge en extreme risicoprofielen. Daarbij tellen onder meer delictgegevens, eerdere detentie-informatie en politie-informatie mee.
Een verhuizing tussen gelijksoortige plaatsen heet horizontale overplaatsing. Een andere bestemming heet verticale overplaatsing. Bij detentiefasering veranderen beveiliging én regime. Een ‘strafoverplaatsing’ bestaat juridisch niet: overplaatsing kan wel nodig worden gevonden vanwege orde en veiligheid.
Bijzondere afdelingen
Bijzondere opvang kan samenhangen met gezondheid, kwetsbaarheid, gedrag of het delict (artikel 14 Pbw):
- EZV: extra begeleiding voor kwetsbare gedetineerden. Verblijf daar geeft niet automatisch recht op een PPC of externe behandeling. Doorslaggevend is of de inrichting voldoende zorg kan bieden; dit bevestigde de RSJ op 3 februari 2025.
- PPC: psychiatrische zorg wanneer reguliere zorg of EZV niet volstaat en plaatsing in de GGZ niet mogelijk is. Na beoordeling door het NIFP vraagt de directeur overplaatsing aan bij de selectiefunctionaris.
- Pieter Baan Centrum: psychiatrische observatie op bevel van de rechter, in beginsel maximaal zeven weken.
- JCvSZ: ziekenhuiszorg of langdurige extra lichamelijke verzorging. Korte opname kan de directeur regelen vanuit artikel 42 lid 4 Pbw; langdurige plaatsing kan via de selectiefunctionaris.
- BPG: opvang bij een extreem beheersrisico. Psychiatrische problematiek moet als primaire verklaring worden uitgesloten en opvang binnen de eigen of een andere inrichting mag geen passende optie meer zijn.
- AIT: intensief toezicht om voortgezet crimineel handelen te voorkomen. De directeur beslist over plaatsing; een wijziging naar besluitvorming namens de minister is voorzien.
De EBI is bedoeld voor extreme vlucht- of onaanvaardbare maatschappelijke risico’s, waaronder aanwijzingen voor voortgezet crimineel handelen. Er geldt een afzonderlijke selectieprocedure met een adviescommissie en jaarlijkse toetsing van de plaatsing.
Plaatsing op een Terroristen Afdeling (TA) kan volgen uit verdenking of veroordeling voor een terroristisch misdrijf, of het verspreiden van radicaliserende boodschappen. De juridische grond van de detentie is daarbij bepalend. Bij plaatsing wegens radicaliserende boodschappen volgt iedere twaalf maanden een verlengingsbeslissing.
Voor de categorie van artikel 20a onder b Rspog geldt uitplaatsing na een derde van de definitieve gevangenisstraf of bij een strafrestant tussen vier maanden en een jaar. Uitzonderingen gelden bij dreigende uitlevering, radicaliserende boodschappen in het laatste jaar of verhoogd maatschappelijk risico bij ontsnapping.
Vreemdelingenbewaring
Ook bij plaatsing in vreemdelingenbewaring gelden de Pbw en de Rspog. Ingeslotenen verblijven in een detentiecentrum.
Dit verschilt van detentie wegens een strafbaar feit. Personen zonder rechtmatig verblijf die op een strafrechtelijke grond vastzitten, worden geplaatst in PI Ter Apel (artikel 20b Rspog). Vreemdelingenbewaring zelf is geen strafrechtelijke detentie.
Klagen, bezwaar en beroep
De juiste procedure hangt af van de beslisser:
- Interne overplaatsing door de directeur: beklag bij de commissie van toezicht op grond van artikel 60 lid 1 Pbw.
- Niet behoorlijk behandelen of doorsturen van uw verzoek: eveneens beklag. Tegen de inhoud of totstandkoming van het selectieadvies zelf staat geen beklag open.
- Plaatsingsbeslissing van de selectiefunctionaris: doorgaans eerst bezwaar, uiterlijk op de zevende dag nadat u van de beslissing kennisnam. Dit geldt ook voor eerste plaatsingen en zelfmelders.
- Afwijzing van uw eigen overplaatsingsverzoek: rechtstreeks beroep bij de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ), ook bij gedeeltelijke afwijzing.
Rechtstreeks beroep geldt ook bij een directeursverzoek waarmee u volledig instemde of waartegen u vooraf uw bezwaren kenbaar maakte. In andere gevallen beslist de selectiefunctionaris binnen zes weken op uw bezwaar. Daarna kunt u bij een geheel of gedeeltelijk ongegrond bezwaar naar de RSJ.
Tijdens beroep kunt u schorsing vragen: tijdelijke stopzetting van de uitvoering. Tijdens bezwaar kan dit in beginsel niet, behalve bij een lang uitblijvende beslissing of uitzonderlijke omstandigheden.
Forensische zorg en tbs
Overplaatsing vanuit de gevangenis naar zorg
Artikel 15 lid 4 en artikel 43 lid 4 Pbw bieden mogelijkheden voor plaatsing in de geestelijke gezondheidszorg. Deze artikelplaatsingen zijn vrijwillig en vereisen uw instemming en een indicatie van het NIFP: een beoordeling van de benodigde zorg. Beide routes mogen niet achtereenvolgens worden gebruikt.
Bij aangewezen ernstige gewelds- en zedendelicten zijn een delictanalyse en risicotaxatie nodig. Bij de indicatie wordt een risicotaxatie betrokken die niet ouder is dan zes maanden. Verder spelen het dossier en adviezen van het OM, de reclassering en eventueel de rechter een rol.
Voor deze artikelplaatsingen gelden uitsluitingen, waaronder tbs met dwangverpleging, negatief OM-advies, vreemdelingenstatus, levenslang, verwachte maatschappelijke onrust, een geïndiceerd beveiligingsniveau 4 of weigering van toestemming voor de GGZ-indicatie.
U blijft administratief bij de oorspronkelijke inrichting ingeschreven. De directeur volgt uw behandeling en blijft verantwoordelijk. Vrijheden vereisen besluitvorming volgens de verlofregels; beëindiging van de plaatsing kan tot terugplaatsing leiden.
Artikel 43 lid 4 Pbw
Deze route kan worden gebruikt voor noodzakelijke zorg, waaronder klinische behandeling of beschermd wonen richting het detentie-einde. U moet ten minste in eerste aanleg veroordeeld zijn. De plaatsing moet verenigbaar zijn met de uitvoering van de vrijheidsbeneming.
De directeur beslist en draagt ook verantwoordelijkheid voor de voorbereiding en de keuze van de zorgaanbieder. De RSJ heeft onder meer geoordeeld dat:
- positieve deskundigenadviezen en behandelmotivatie voldoende moeten meewegen bij een afwijzing;
- te late voorbereiding een ernstige tekortkoming in de zorgplicht kan opleveren;
- een verwijzing naar het plaatsingssysteem Ifzo zonder concrete uitleg onvoldoende kan zijn.
Deze uitgangspunten volgen onder meer uit uitspraken van 24 december 2024 en 31 januari 2025.
Artikel 15 lid 4 Pbw en tbs-plaatsing
Artikel 15 lid 4 Pbw maakt overbrenging voor verpleging mogelijk bij een psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap.
Artikel 6:2:8 Wetboek van Strafvordering biedt daarnaast mogelijkheden voor plaatsing in een tbs-kliniek. Ook zonder opgelegde tbs kan dit onder omstandigheden, bijvoorbeeld wanneer de beschikbare psychiatrische detentiezorg onvoldoende is. Bij gevangenisstraf én tbs wordt regelmatig beoordeeld of vervroegde plaatsing nodig is. Normaal begint de tbs nadat de uitspraak definitief is en het uit te zitten gevangenisdeel is ondergaan.
Beschikbare plaatsen en veiligheidsrisico’s mogen meewegen. Tegen beslissingen over deze plaatsing, beëindiging en bepaalde weigeringen staat binnen vier weken beroep bij de RSJ open.
Justitiële jeugdinrichtingen
De selectiefunctionaris beslist over plaatsing van jeugdigen. Hij betrekt de detentiegrond, persoonlijke situatie, beveiligingsbehoefte en aanwijzingen of adviezen van betrokken instanties. Opvoeding en terugkeer in de maatschappij wegen mee. Een jeugdige kan zelf overplaatsing vragen; ook de directeur kan die voorstellen (artikelen 12 en 19 Bjj).
Nabijheid van de eigen leefomgeving geeft niet vanzelf recht op een bepaalde inrichting. Ook toepassing van adolescentenstrafrecht verplicht niet automatisch tot plaatsing in een jeugdinrichting, zo oordeelde de RSJ op 22 juli 2025.
Behandeling en bijzondere plaatsingen
Bij een PIJ-maatregel geldt in beginsel een plaatsingstermijn van drie maanden. Verlenging met telkens drie maanden is vooral bedoeld voor capaciteitstekort en vereist een uitdrukkelijke beslissing.
Bij plaatsgebrek kan een jeugdige vanaf zestien jaar maximaal tien dagen in een politiecel blijven. Voor twaalf- tot zestienjarigen geldt maximaal drie dagen, uitsluitend om vervoer naar een beschikbare jeugdinrichtingsplaats te regelen.
Voor intensieve zorg of behandeling is psychiatrisch advies nodig; voor de individuele trajectafdeling adviseert een speciale commissie. De directeur kan na advies verlengen, maar moet de jeugdige eerst horen. Beklag is mogelijk. Observatie volgens artikel 22d Bjj duurt in beginsel maximaal zeven weken, met maximaal vier weken verlenging.
De directeur beslist of een jeugdige een kind in de inrichting mag verzorgen. Bij afwijzing of intrekking moet hij de jeugdige horen (artikel 61 Bjj); beklag kan volgens artikel 65 Bjj. Ontbreken geschikte voorzieningen, dan kan overplaatsing van ouder en kind worden gevraagd.
Tegen een selectiebeslissing kan beroep bij de RSJ openstaan. Zonder voorafgaand verzoek van de jeugdige wordt eerst bezwaar bij de selectiefunctionaris gemaakt.
Internationale overplaatsing
Binnen het Koninkrijk bestaan verschillende Onderlinge Regelingen Detentiecapaciteit (ORD). ORD1 geldt niet voor Europees Nederland. ORD2 maakt overplaatsing mogelijk wegens medische complicaties of dringende veiligheidsredenen. De minister beslist binnen veertien dagen. Terugkeer is uitgangspunt zodra de noodzaak vervalt, in beginsel binnen zes maanden; verlenging kan telkens met zes maanden.
Tegen ORD2-overplaatsing of terugkeer bestaat geen Pbw-rechtsmiddel. Een kort geding is wel mogelijk. De RSJ heeft geoordeeld dat langdurig verblijf van meer dan twee jaar in Europees Nederland niet zonder meer een blijvende uitsluiting van vrijheden rechtvaardigt.
ORD3 dient de terugkeer in de maatschappij na een definitieve gevangenisstraf. Voorwaarden omvatten hoofdverblijf in het ontvangende land, een aaneengesloten verblijf van minstens drie jaar en minimaal zes maanden strafrestant. Na instemming van beide ministers volgt overplaatsing binnen dertig dagen. De ontvangende regels gelden, waardoor de datum van voorwaardelijke invrijheidstelling kan veranderen.
Buiten het Koninkrijk verloopt strafoverdracht via WETS of WOTS. DIZ coördineert deze procedures. De directeur of casemanager moet een buitenlandse gedetineerde helpen bij een overdrachtsverzoek en dit behandelen.
Wat betekent dit voor u?
Onderbouw uw verzoek concreet: bijvoorbeeld met bezoekmogelijkheden, uw zorgbehoefte of deskundigenadviezen. Bespreek met uw casemanager of het verzoek is doorgestuurd. Controleer bij een afwijzing wie heeft beslist: dat bepaalt of u moet klagen, bezwaar maken of rechtstreeks beroep instellen. Let vooral op de korte bezwaartermijn.
Let op
Deze pagina is geschreven vanuit de expertise van Mr. S.P.C. (Stan) Broekmans, gespecialiseerd in detentierecht bij Hameleers Antonides Advocaten. Heeft u een vraag over uw eigen situatie? Neem dan contact op; een eerste inschatting kost u niets.
Vragen over uw situatie?
Bel voor een gratis eerste inschatting of laat uw gegevens achter; u wordt zo snel mogelijk teruggebeld door een advocaat die gespecialiseerd is in detentierecht.