Kennisbank
Rookbeleid
Welke rookregels gelden in detentie, hoe worden niet-rokers beschermd en wanneer kunt u klagen over een rookverbod of rookoverlast?
Ook in detentie gelden regels om mensen tegen tabaksrook te beschermen. Of u mag roken, hangt onder meer af van de ruimte, de huisregels en het soort inrichting. Wie niet rookt, mag van de directie verwachten dat zij maatregelen neemt tegen rookoverlast.
De wettelijke basis van het rookbeleid
De Tabaks- en rookwarenwet beschermt onder andere niet-rokers tegen tabaksrook. Artikel 10 lid 1 verplicht tot een rookverbod in ruimten waar mensen werken, onder c, en in gebouwen of inrichtingen die de overheid gebruikt, onder a. Daarom moet ook in gevangenissen, huizen van bewaring, politiecellen en tbs-instellingen een rookverbod worden ingesteld, aangegeven en gehandhaafd.
Er zijn uitzonderingen. Artikel 10 lid 2 biedt daarvoor ruimte. Volgens artikel 6.2 lid 1 van het Tabaks- en rookwarenbesluit geldt de verplichting niet:
- in ruimten die onder de bescherming van de persoonlijke levenssfeer vallen;
- in de buitenlucht.
Een eigen woonruimte in een justitiële inrichting kan zo’n privéruimte zijn, als de bewoner deze niet met andere bewoners hoeft te delen. Een uitzondering op het wettelijke rookverbod betekent echter niet automatisch dat de inrichting daar geen rookbeperkingen mag opleggen. De tabakswetgeving sluit een volledig rookvrije instelling op zichzelf niet uit.
De concrete rookregels staan in de huisregels. Daarin kunnen ook sancties worden opgenomen voor overtredingen.
Bescherming tegen rookoverlast
De directeur moet ervoor zorgen dat rookvrije ruimten daadwerkelijk rookvrij blijven. Ook rook uit een ruimte waar roken wel is toegestaan, mag niet zonder meer overlast veroorzaken. De directie moet actief naar oplossingen zoeken om niet-rokers te beschermen.
De Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming, afgekort RSJ, beoordeelt onder meer beroepen in detentiezaken. De RSJ heeft beslist dat een weigering om bepaalde gemeenschappelijke ruimten rookvrij te maken voor beklag vatbaar kan zijn. Dat betekent dat daarover een klacht kan worden behandeld. In zaken waarin die ruimten volgens de toen geldende regels rookvrij moesten zijn en de klager rookhinder ondervond, werd de klacht gegrond verklaard.
Tegelijkertijd levert niet ieder moment van rookhinder een tekortkoming op. Volgens de RSJ is incidentele overlast vrijwel onvermijdelijk zolang geen volledig rookverbod geldt. Ook van bewoners mag enige eigen inzet worden verwacht. In een uitspraak van 20 december 2016, 16/3295/TA, woog mee dat de klager zijn kamerdeur bij vertrek had kunnen sluiten om rook buiten te houden.
Ook personeel moet de regels naleven
De rookregels gelden niet alleen voor bewoners. De directie moet ook optreden tegen overtredingen door medewerkers.
In een zaak van 20 april 2011, KC 2011/019, rookte een medewerker op een patio terwijl de deur openstond. Daardoor waaide rook naar binnen. De bewoner had hierover al langer dan een jaar geklaagd. De beklagcommissie rekende de overtreding toe aan de directie en verklaarde de klacht gegrond.
Een eenmalige overtreding leidt niet steeds tot hetzelfde oordeel. Op 6 juni 2023 oordeelde de RSJ in zaak 21/22940/GA dat de directie haar zorgplicht niet had geschonden: het rookbeleid voor personeel werd gehandhaafd, ondanks een eenmalige overtreding op de afdeling.
Gevangeniswezen
Roken in uw eigen cel
Een cel die u niet met anderen hoeft te delen, kan onder de uitzondering voor privéruimten vallen. De tabakswetgeving biedt daardoor ruimte om daar te roken. Dat betekent niet dat roken in de eigen verblijfsruimte altijd onbeperkt is toegestaan.
Brandveiligheid kan bijvoorbeeld een beperking rechtvaardigen. De RSJ accepteerde op 20 december 2007, 07/1788/TA, een verbod om na insluiting vanaf half tien ’s avonds tot de volgende ochtend in de eigen verblijfsruimte te roken. In die zaak vereiste de brandveiligheid bijzondere voorzichtigheid.
Waar roken op cel is toegestaan, blijft de inrichting verantwoordelijk voor maatregelen tegen rookoverlast buiten die cel.
Een cel delen met een roker
Bij plaatsing in een meerpersoonscel moet rekening worden gehouden met rookgedrag. In een brief van 26 mei 2011 omschreef de staatssecretaris het gescheiden plaatsen van rokers en niet-rokers als een inspanningsverplichting: de inrichting moet zich daarvoor inzetten, maar het is geen onvoorwaardelijke garantie.
Daar staat een duidelijke zorgplicht tegenover. De directeur moet een niet-rokende gedetineerde beschermen tegen ongewilde en vermijdbare schadelijke gevolgen van tabaksrook van celgenoten. Volgens de rechtspraak geldt daarom het volgende:
- Een niet-roker wordt in beginsel niet met een roker op cel geplaatst als de niet-roker daar bezwaar tegen maakt.
- Gebeurt dat toch, dan moet de directeur een oplossing zoeken.
- Doet de directeur daarvoor onvoldoende, dan kan sprake zijn van een ernstige tekortkoming en kan een tegemoetkoming worden toegekend.
Alleen uitzonderlijke omstandigheden kunnen rechtvaardigen dat de directeur geen gevolg geeft aan de melding dat iemand niet langer met een roker wil samenwonen. Deze zorgplicht komt onder meer terug in RSJ 17 juni 2020, R-19/5447/GA, en RSJ 9 april 2015, 15/1066/SGA.
Een praktische illustratie is de uitspraak van 25 juli 2024, KC 2024-018. Een niet-roker was ondanks zijn bezwaar bij een roker geplaatst. De directie deed niets om die situatie zo snel mogelijk te beëindigen. Dat de gedetineerde niet bleef klagen, ontsloeg de directie niet van haar verantwoordelijkheid. De klacht werd gegrond verklaard en de tegemoetkoming bedroeg € 7,50. Dat bedrag hoort bij die specifieke zaak.
Roken op de luchtplaats
Voor de buitenlucht geldt geen wettelijke verplichting tot een rookverbod. Of een directeur daar toch een verbod mag instellen, moet ook worden beoordeeld aan de hand van de detentieregels.
De RSJ beoordeelde op 30 januari 2019, R-18/51/GA, een volledig rookverbod op de luchtplaats van PI Ter Apel. Dat verbod was volgens de RSJ in strijd met artikel 2 lid 4 van de Penitentiaire beginselenwet, de Pbw. Dit artikel bevat het beginsel van minimale beperkingen: beperkingen tijdens detentie moeten binnen de grenzen van dat beginsel blijven.
De RSJ vond van belang dat een volledig rookverbod buiten verder ging dan de situatie in de vrije samenleving. Het verbod doorstond die toets niet. De RSJ kon deze klacht zelf beoordelen, omdat zij ging over het door de directeur ingestelde verbod en niet over het algemene toezicht op de tabakswetgeving.
Justitiële jeugdinrichtingen
Leeftijd en rookmomenten
Sinds 1 januari 2014 mag geen tabak meer worden verkocht aan jongeren onder de 18 jaar. In jeugdinrichtingen mogen jongeren onder de 18 jaar ook niet roken.
Voor jongeren van 18 jaar en ouder gelden vastgestelde rookmomenten. Zij kunnen tijdens het luchten roken. Daarnaast zijn er vaak andere momenten waarop zij kort naar buiten kunnen om te roken.
Op de eigen kamer en op de leefgroepen geldt een volledig rookverbod. Dat geldt dus ook voor jongeren die vanwege hun leeftijd wel mogen roken. E-sigaretten zijn in de jeugdinrichting verboden vanwege de veiligheid.
Leeftijd en plaats zijn daarmee allebei bepalend: 18 jaar of ouder zijn betekent niet dat een jongere overal of op ieder moment mag roken.
Tbs-inrichtingen en forensische zorg
Rookoverlast vanuit patiëntenkamers
Als patiënten op hun kamer mogen roken, moet de kliniek niet-rokers tegen de gevolgen daarvan beschermen. Bij klachten wordt gekeken naar de maatregelen die daadwerkelijk zijn genomen.
In een zaak van 17 juli 2018, KC 2019/012, klaagde een patiënt over rook van andere patiënten, bezoekers en personeel. De kliniek had afzuiging in de kamers, huisregels en extra aandacht voor zijn situatie. Medepatiënten werden erop aangesproken dat zij niet in de deuropening mochten roken. Er was onvoldoende aangetoond dat de kliniek tekortschoot; de klacht slaagde niet.
Anders liep het in de uitspraak van 19 januari 2019, KC 2019/002. Volgens de huisregels moest bij bezoek op de kamer de deur ongeveer 10 centimeter openblijven. Dat botste met de inspanningen die nodig waren om niet-rokers te beschermen. Extra maatregelen tegen rookoverlast waren niet gebleken. De klacht werd gegrond verklaard, met een tegemoetkoming van € 10.
Een volledig rookvrije tbs-inrichting
Een eigen patiëntenkamer geeft geen onvoorwaardelijk recht om te blijven roken. FPC Dr. S. van Mesdag voerde op 15 april 2024 een algemeen rookverbod in, aanvankelijk met een uitzondering voor patiëntenkamers. Vanaf 1 oktober 2024 verviel ook die uitzondering.
De RSJ oordeelde op 21 maart 2025, in zaken 24/41923/TA en 24/41927/TA, dat een volledig rookverbod niet verplicht is op grond van de tabakswetgeving, maar op zichzelf wel is toegestaan.
Bij de belangenafweging mocht de bescherming van het lichaam en de gezonde leef- en werkomgeving van niet-rokende patiënten en werknemers zwaarder wegen dan de keuzevrijheid van rokende patiënten. Ook vond de RSJ voldoende aannemelijk dat een gedeeltelijk rookverbod in deze instelling niet haalbaar was. De RSJ ging ervan uit dat de instelling waar nodig passende hulp en ondersteuning bij stoppen met roken biedt.
Deze uitspraak betreft een andere situatie dan het rookverbod op de luchtplaats van PI Ter Apel. Een oordeel over één inrichting kan daarom niet zonder meer worden toegepast op iedere andere inrichting.
Klagen over rookbeleid of rookoverlast
Algemeen toezicht door de NVWA
De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, de NVWA, controleert de naleving van de Tabaks- en rookwarenwet. U kunt daar een klacht indienen over overtreding van die wet. Dit toezicht gaat over het rookbeleid en de handhaving binnen een inrichting in algemene zin, niet over de beoordeling van individuele rookgeschillen.
Beklag bij de Commissie van Toezicht
Daarnaast kunt u gebruikmaken van de beklagmogelijkheid bij de Commissie van Toezicht. Daarbij is het onderscheid tussen een algemene regel en een persoonlijke beslissing van belang.
De Pbw, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, de Bjj, en de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, de Bvt, bieden geen beklag tegen een algemene regeling als zodanig. Een klacht die uitsluitend is gericht tegen het bestaan van een algemeen rookverbod wordt niet-ontvankelijk verklaard: de klacht wordt dan niet inhoudelijk beoordeeld.
Een beslissing over de toepassing van de regels op u kan wel worden aangevochten. Denk aan een situatie waarin de één wel mag roken en de ander niet. Ook een weigering om maatregelen tegen uw rookoverlast te nemen kan voor beklag vatbaar zijn.
De wettelijke grondslagen voor beklag over een persoonlijke directiebeslissing zijn:
- artikel 60 lid 1 Pbw;
- artikel 65 lid 1 Bjj;
- artikel 56 lid 1 Bvt.
Wat betekent dit voor u?
Als u rookt: kijk in de huisregels waar en wanneer roken is toegestaan. Ga er niet van uit dat de uitzondering voor een eigen kamer of de buitenlucht automatisch betekent dat iedere rookbeperking verboden is.
Als u rookoverlast heeft: meld concreet waar de rook vandaan komt, wanneer u er last van heeft en welke maatregel u vraagt. De directie moet niet alleen regels vaststellen, maar ook zorgen voor naleving en waar nodig een oplossing zoeken.
Als u als niet-roker met een roker op cel wordt geplaatst: geef duidelijk aan dat u daar bezwaar tegen heeft. Uw bezwaar is relevant voor de zorgplicht van de directeur. U hoeft niet voortdurend opnieuw te klagen om die verantwoordelijkheid te laten voortbestaan.
Als u beklag wilt doen: maak duidelijk welke beslissing, weigering of toepassing van de rookregels u persoonlijk raakt. Dat onderscheid kan bepalend zijn voor de vraag of uw klacht inhoudelijk wordt behandeld.
Let op
Deze pagina is geschreven vanuit de expertise van Mr. S.P.C. (Stan) Broekmans, gespecialiseerd in detentierecht bij Hameleers Antonides Advocaten. Heeft u een vraag over uw eigen situatie? Neem dan contact op; een eerste inschatting kost u niets.
Vragen over uw situatie?
Bel voor een gratis eerste inschatting of laat uw gegevens achter; u wordt zo snel mogelijk teruggebeld door een advocaat die gespecialiseerd is in detentierecht.